Weet deze omhooggevallen OvJ eigenlijk wel waar hij het over heeft?
Hij wil dus van Amsterdam een grotere teringzooi maken dan Hoes en Opstelten van Maastricht hebben gemaakt, willens en wetens! Is dat niet in sterke tegenspraak met zijn functie, het bevorderen van de Veiligheid in ons land, en juist niet het stimuleren van vuiligheid?
Teeven zou onderstaande tekst eens moeten lezen, want hij gaat dit hele plan naar de kloten helpen, en ook de veiligheid van de stad, maar ook het voortbestaan van de coffeeshops en de instroom van toeristen naar Amsterdam ernstig in gevaar brengen.
1.1 Inleiding Het “bevorderen van een veiliger samenleving” is één van de centrale doelstel- lingen van het veiligheidsbeleid dat het huidige kabinet voert (TK 2002/2003a: 17). Het kabinet concentreert zich daarbij steeds meer op misdrijven die de burger rechtstreeks raken en beoogt dat de criminaliteit in de publieke ruimte in 2006 met circa 20% tot 25% moet zijn afgenomen. Ook moet de burger zich tegen die tijd aanmerkelijk veiliger voelen.
Het terugdringen van de criminaliteit en het verminderen van de onveiligheids- beleving zijn geen nieuwe doelstellingen. De afgelopen decennia zijn veel beleidsmaatregelen genomen om de criminaliteit terug te dringen. Vaak wordt verondersteld dat deze zelfde maatregelen er ook toe leiden dat burgers zich veiliger gaan voelen.
Ondanks het grote gewicht dat aan het terugdringen van de criminaliteit en/of onveiligheidsbeleving wordt toegekend, is nauwelijks systematische kennis beschikbaar over de effectiviteit van de ingezette maatregelen. Dit is in zekere zin verrassend. Naarmate van meer ingezette maatregelen bekend is of en in welke situatie ze werken, kan de overheid immers een effectiever veiligheids- beleid voeren. Inzicht in de effectiviteit van maatregelen om een veiliger samenleving te bevorderen is daarom van groot belang.
In dit onderzoek is nagegaan welke maatregelen de overheid de afgelopen 25 jaar heeft ingezet om de criminaliteit en de onveiligheidsbeleving in de publieke ruimte te verminderen en wat bekend is over de effectiviteit van deze maatregelen. We willen weten in welke mate een eventuele afname in crimina- liteit en onveiligheidsbeleving in de publieke ruimte te danken is aan de ingezette maatregelen.1 Niet alle maatregelen die de overheid inzet om de criminaliteit en de onveiligheidsbeleving terug te dringen, komen echter in dit
7onderzoek aan de orde. Een toelichting op welke wijze het onderzoek precies is afgebakend, geven we in de volgende paragraaf (§ 1.2). Daarna wordt aandacht besteed aan onderzoek naar de effectiviteit van beleidsmaatregelen (§ 1.3). Vervolgens gaan we in op de opzet van dit onderzoek (§ 1.4).
1.2 Afbakening van het onderzoek Wat verstaan we onder sociale veiligheid (en wat niet)?
In dit onderzoek staat de criminaliteit en de onveiligheidsbeleving in de publieke ruimte centraal. Vaak wordt hier de term ‘sociale veiligheid’ voor gebruikt. Ook wij sluiten daarbij aan. De objectieve component van sociale veiligheid heeft dan betrekking op de feitelijke criminaliteit die in de publieke ruimte plaatsvindt, terwijl de subjectieve component de mate betreft waarin burgers die publieke ruimte als veilig ervaren. We zullen ons concentreren op de belangrijkste vormen van criminaliteit waarvan burgers slachtoffer worden. Het gaat daarbij met name om veelvoorkomende gewelddelicten (mishande- ling, bedreiging, beroving en seksuele delicten) en diefstaldelicten (inbraak,2 zakkenrollerij, diefstal van auto, fiets, mobiele telefoon, etc.) die in de publieke ruimte plaatsvinden. Ook vernielingen van publieke en private goederen in de publieke ruimte vallen binnen het bereik van dit onderzoek. Maatregelen expli- ciet bedoeld om de veiligheid te vergroten voor werknemers in het publieke domein worden niet in het onderzoek betrokken.3 Onder de publieke ruimte verstaan we (semi-)openbare gelegenheden die in principe voor iedereen toegankelijk zijn. We richten ons daarbij op woongebieden, winkelgebieden, openbaar vervoer en uitgaansgebieden.
Tegenwoordig wordt onder sociale veiligheid ook vaak overlast verstaan die burgers in de publieke ruimte ondervinden. Rondhangende jongeren, luidruch- tig gedrag, bedelende verslaafden en straatvuil worden gezien als indicatoren van onveilige situaties. Deze brede opvatting is onder andere terug te vinden in de beleidsnota Naar een veiliger samenleving (TK 2002/2003a). Dit ‘oprekken’ van de term sociale veiligheid heeft verschillende nadelen (zie bijvoorbeeld Van de Bunt 2003 en WRR 2003).4 Vanuit onderzoeksmatig oogpunt is vooral van
8
belang dat een brede opvatting van sociale veiligheid het moeilijker maakt inzicht te krijgen in de factoren die van invloed zijn op sociale veiligheid. Dat feitelijke criminaliteit, onveiligheidsbeleving en overlast aan elkaar gerelateerd zijn, zal niemand ontkennen. Om beter inzicht te krijgen in de mechanismen die leiden tot feitelijke criminaliteit en onveiligheidsbeleving en dus tot informa- tieve verklaringen te komen, is het echter verstandiger het te verklaren verschijnsel zo precies mogelijk af te bakenen. In dit onderzoek wordt overlast dus niet meegenomen als onderdeel van de sociale veiligheid, maar beperken we ons tot feitelijke criminaliteit en onveiligheidsbeleving.
Welke maatregelen nemen we mee (en welke niet)?
Om de sociale veiligheid te vergroten zet de overheid uiteenlopende maatrege- len in, variërend van meer politie op straat, het invoeren van cameratoezicht en het aanpassen van de straatverlichting tot de opvang en begeleiding van risico- jongeren en het opleggen van zwaardere sancties. Van al deze maatregelen worden preventieve effecten verwacht. Dat wil zeggen, verondersteld wordt dat door het uitvoeren van deze maatregelen de criminaliteit in de toekomst zal verminderen (en daarmee de onveiligheidsbeleving).5
Globaal genomen kunnen drie preventiestrategieën worden onderscheiden (zie ook: Tonry en Farrington 1995; Sherman et al. 2002). De eerste preventie- strategie is die van de rechtshandhaving. Deze is erop gericht daders die bekend zijn bij politie en justitie ervan te weerhouden nogmaals delicten te plegen. Ook wordt verondersteld dat er een afschrikkende werking vanuit gaat voor anderen. Binnen deze strategie gaat het dus om strafrechtelijke maatrege- len en deze kunnen betrekking hebben op opsporing, vervolging en berechting. Voorbeelden van maatregelen die binnen de preventiestrategie passen zijn ‘zero tolerance’ arrestaties, opleggen van geldboetes en gevangenisstraffen, alsmede Halt-afdoeningen en resocialisatieprogramma’s voor veroordeelden.
De tweede preventiestrategie is vooral gericht op bepaalde risicogroepen van (potentiële) daders. Deze strategie wordt meestal ingezet om jongeren ervan te
9
weerhouden ‘het criminele pad op te gaan’. Voorbeelden van dergelijke maat- regelen zijn opvoedingsondersteuning, het terugdringen van schooluitval of de opvang en begeleiding van risicojongeren. Soms zijn deze maatregelen gericht op brede groepen in de samenleving, zoals gezinnen die tot een etnische minderheidsgroep behoren of waarvan de ouders laag zijn opgeleid; soms gaat het om specifieke gezinnen met hoge concentraties risicofactoren en soms gaat het om individuele jongeren die nog niet in het justitiële circuit verkeren, maar wel al probleemgedrag vertonen.
De derde preventiestrategie beoogt vooral de gelegenheid tot criminaliteit zo klein mogelijk te maken. Deze strategie heeft direct tot doel te voorkómen dat criminaliteit plaatsvindt. In tegenstelling tot de vorige twee preventiestrate- gieën staat hier dus niet de ontwikkelingsgeschiedenis van (potentiële) daders centraal, maar de criminaliteit zelf. Bovendien richten de maatregelen zich niet alleen op (potentiële) daders, maar ook op (potentiële) slachtoffers en/of (potentiële) locaties. Voorbeelden van gelegenheidsbeperkende maatregelen zijn ingangscontroles op stations, de inzet van politiesurveillanten, camera- toezicht en projecten als ‘buurtpreventie’.
Alle drie de beschreven preventiestrategieën zijn van belang om de sociale veiligheid te vergroten. Het is dus ook van belang om binnen elk van deze strategieën duidelijkheid te krijgen over de effectiviteit van de ingezette maat- regelen. Toch concentreren we ons in dit onderzoek op een van deze strate- gieën, namelijk de gelegenheidsbeperkende strategie. Dat doen we met name omdat deze strategie een autonome rol speelt bij het terugdringen van de feite- lijke criminaliteit. Als de gelegenheidsstructuur niet wordt aangepast, kunnen daders gemakkelijk opnieuw delicten plegen nadat ze hun straf hebben gekre- gen. Ook ‘nieuwe’ daders zullen gebruik maken van de bestaande mogelijk- heden. Daarnaast wordt aan overzichtsstudies voor de beide andere preventie- strategieën al gewerkt door anderen. Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum (WODC) van het ministerie van Justitie inventariseert momenteel Nederlandse effectevaluaties van strafrechtelijke interventies.
10
De effectiviteit van maatregelen gericht op bepaalde risicogroepen van (poten- tiële) daders wordt vooral in kaart gebracht door onderzoeksbureaus werkzaam in het veld van de jeugdzorg (bijvoorbeeld het NIZW).6 Voor ons reden om in dit onderzoek de gelegenheidsbeperkende preventiestrategie centraal te stellen.
Samenvattend, richten we ons op alle maatregelen die de overheid de afgelo- pen 25 jaar heeft ingezet en direct tot doel hebben te voorkómen dat criminali- teit tegen burgers plaatsvindt en/of de onveiligheidsbeleving onder burgers terugdringt.7 Verder concentreren we ons op de publieke ruimte: de (semi-) openbare ruimte die in principe voor iedereen toegankelijk is. Hierbij maken we een onderscheid naar woongebieden, winkelgebieden, openbaar vervoer en uitgaansgebieden.
Bron: Sociaal en Cultureel Planburau – Rijksoverheid
Als Teeven dus zijn zin doordrukt, en Amsterdam de Wietpas in de strot wil duwen, heeft hij aan bovenstaande blijkbaar geen boodschap, want dan gaan alle risicogroepen in de straathandel, met alle gevolgen van dien.
Wie kan mij vertellen welk wetsartikel we kunnen gebruiken om Teeven voor de rechter te krijgen, want hij stimuleert met het invoeren van de Wietpas in Amsterdam criminalitiet en overlast. Ik doe wel aangifte, en zorg ook voor een advocaat.
Nol van Schaik.
Secretaris Team Haarlemse Coffeeshops.





